Zoeken - zoekresultaten
verfijn de resultaten
Met een aantal aanpassingen of andere accenten in het onderwijsprogramma kunnen scholen zorgen dat hun leerlingen goed voorbereid doorstromen naar havo en mbo.
De leerlingen leren bij de doelen onder 'mondeling taalonderwijs' en 'schriftelijk taalonderwijs' strategieën te herkennen, te verwoorden, te gebruiken en te beoordelen.
De leerlingen leren een aantal taalkundige principes en regels. Zij kunnen in een zin het onderwerp, het werkwoordelijk gezegde en delen van dat gezegde onderscheiden. De leerlingen kennen:
regels voor het spellen van werkwoorden; regels voor het spellen van andere woorden dan werkwoorden; regels voor het gebruik van leestekens.
De leerlingen verwerven een adequate woordenschat en strategieën voor het begrijpen van voor hen onbekende woorden. Onder 'woordenschat' vallen ook begrippen die het leerlingen mogelijk maken over taal te denken en te spreken.
Taal 100 bevat materiaal met het oog op de taalstimulering van kinderen, waarbij de nadruk ligt op de vaardigheden van de leerkracht.
De meeste leraren zullen de leesontwikkeling van hun kinderen volgen via leesvaardigheidstoetsen uit het leerlingvolgsysteem of uit methodes. Deze toetsen zijn summatief: je beoordeelt wat de leerling bereikt heeft aan het eind van een programmaonderdeel of bepaalde leerstof.