Wat moet, wat mag en wat kan in het schoolexamen

24 april 2020

Er zijn in het schoolexamen bepaalde vakinhouden en vaardigheden verplicht, er zijn ook vakinhouden en vaardigheden die aan de orde mogen komen, maar niet verplicht zijn. Schoolexamentoetsen zijn niet per definitie schriftelijke toetsen. Ook andere toetsvormen zijn mogelijk en toegestaan, omdat er geen vormvoorschriften meer gelden. Hieronder wordt dit verder besproken

Wat moet in het schoolexamen

Wat mag in het schoolexamen

Wat kan in het schoolexamen

Wat moet in het schoolexamen

Vakinhoud, vaardigheden en PTA zijn verplicht.

Je moet bepaalde vakinh​oud toetsen.

Van de eindtermen uit de examenprogramma's wordt ongeveer 60% getoetst in het centraal examen (CE). Alle vakinhoud die niet in het CE getoetst wordt, moet in het schoolexamen (SE) aan de orde komen. In de examenprogramma's is aangegeven welke inhoud dat is.

Voor het toetsen van kennis is een schriftelijke toets een geschikte vorm, die echter wel aan bepaalde kwaliteitseisen moet voldoen. Bovendien is het niet de enige toetsvorm die hiervoor geschikt is: je kunt ook een andere toetsvorm kiezen.

Je moet bepaalde vaardigheden toetsen

De vaardigheden die in Domein A van de examenprogramma's beschreven zijn, moeten vrijwel allemaal zowel in het CE als het SE getoetst worden. Van sommige vaardigheden, zoals onderzoeken, worden bepaalde aspecten alleen in het SE getoetst (in dit geval de uitvoering).

​​Voor het toetsen van vaardigheden is een schriftelijke toets niet altijd geschikt. Je kunt ook een andere toetsvorm kiezen voor het SE.

Je moet een Programma van Toetsing en​ Afsluiting (PTA) opstellen

Het Programma van Toetsing en Afsluiting (PTA) is de officiële vastlegging van het schoolexamen. Het is een document dat volgens het examenbesluit havo/vwo jaarlijks vóór 1 oktober dient te worden vastgesteld en het moet in elk geval betrekking hebben op het desbetreffende schooljaar.

Wat mag in het schoolexamen

CE eindtermen en andere vakinhoud mogen ook in het SE. Je beslist zelf hoe je het onderwijs inricht en de resultaten beoordeelt.

Je mag naast de ver​plichte vakinhoud ook andere inhouden toetsen.

Behalve de subdomeinen die zijn aangewezen voor het schoolexamen, mag je in het schoolexamen ook andere vakinhouden opnemen.

Je mag (​delen van) de subdomeinen die zijn aangewezen voor het centraal examen opnemen. Op veel (bijna alle) scholen voor havo en vwo wordt dat gedaan.

Overwegingen om het wel te doen kunnen zijn:

  • De stof van de verschillende subdomeinen wordt gecombineerd aangeboden, dus ook gecombineerd getoetst.
  • Hierdoor kun je ook CE-vragen uit eerdere jaren opnemen in het schoolexamen; het wordt daarmee een goede voorbereiding op het CE zelf.
  • Scholen worden afgerekend op discrepanties tussen CE- en SE-cijfer; door de CE-stof ook bij het SE te betrekken, wordt de kans op discrepantie wellicht kleiner.

Overwegingen om het niet te doen kunnen zijn:

  • De tijd en energie voor toetsing van CE-onderdelen gaat ten koste van de toetsing van de andere domeinen.
  • Door CE-onderdelen niet te toetsen komt meer (gedifferentieerde) tijd vrij voor herhaling en verdieping.

Bij het PTA vindt u voorbeelden van keuzes die je kunt maken.

Je mag andere vakonderdelen opnemen, die pe​​r kandidaat kunnen verschillen.

Als het bevoegd gezag dat wil (wat vaak betekent: als je dat wilt en het bevoegd gezag ermee instemt) mag je ook vakonderdelen in het schoolexamen onderwijzen en toetsen die buiten het officiële examenprogramma vallen. Bijvoorbeeld een veel diepgaander behandeling van biotechnologie of ecologie, omdat je dat belangrijk of interessant vindt of omdat dat jouw specialiteit is. Of uitgebreid veldwerk, bijvoorbeeld op een vindplaats met veel fossielen, omdat die nu toevallig in de omgeving van de school is.
Je mag vakonderdelen per leerling laten verschillen. Je geeft de een bijvoorbeeld een verdiepingsopdracht naar eigen keuze, waarvan je wel de vakkennis toetst. Voor een ander mag diens participatie aan de Biologie Olympiade meetellen en voor weer andere leerlingen heb je een vervangende toets.

Je mag het onde​​rwijs inrichten zoals je dat het beste vindt

Dat is misschien een open deur, maar het is wel waar. De volgorde waarin je de vakonderdelen behandelt en dus meestal ook toetst, is niet voorgeschreven. Evenmin het aantal werkstukken, practica of ethische discussies.
Soms zijn er op schoolniveau keuzes gemaakt over de inrichting van het onderwijs. Meer of juist minder nadruk op denkvaardigheden of praktisch werk, hoe worden rekenkundige kwesties aangepakt, wat zijn de richtlijnen voor het maken van een verslag?
Dit betekent dat er in ieder geval – in overleg met de schoolleiding en collega's – nog beslissingen genomen moeten worden ten aanzien van de volgende punten.

Studi​​​elast

Voor havo is de omvang van het vak biologie 400 studielasturen, voor vwo 480. Wordt de studielast van het vak evenredig verdeeld over de bovenbouwklassen of is de studielast in het examenjaar groter dan in voorexamenjaren (of omgekeerd)?

​Verdeling van de leerstof

Welke onderwerpen komen het eerst aan bod? Hou je je aan de opbouw van de methode of wijk je daarvan af? Welke redenen heb je voor jouw keuzes?
Deze beslissingen hangen ook samen met de organisatie van het schoolexamen. Als alle schoolexamens in het examenjaar gepland worden, heeft dat consequenties voor de volgorde waarin de leerstof aan de orde komt en eventueel herhaald wordt.

Je mag de t​oetsing voor het schoolexamen inrichten zoals je dat het beste vindt

Sinds 2007 zijn er geen vormvoorschriften meer voor het schoolexamen. Er worden dus geen eisen meer gesteld aan het aantal toetsen, praktische opdrachten of handelingsdelen. Ook over de verdeling van de schoolexamentoetsen over de leerjaren van de tweede fase mag de school zelf beslissen. Schoolbrede keuzes/ afspraken/richtlijnen bepalen dus de ruimte aan waarbinnen vaksecties keuzes mogen maken. In overleg met de schoolleiding en collega's moet in elk geval besloten worden over de volgende punten.

​​​​Tijdstip van toetsing

Een zeer belangrijke overweging is of het schoolexamen over leerjaar 4, 5 en/of 6 verspreid wordt. Een spreiding over alle leerjaren van de tweede fase kan de examendruk in het laatste leerjaar verminderen, maar verplaatst een deel van die druk naar de voorexamenjaren. Een grotere spreiding geeft ruimte voor meer, qua leerstof minder omvangrijke toetsen. Meer afnamemomenten betekent ook vaker examenstress.

​Het aantal schoolexamentoetsen

Geef je na ieder hoofdstuk een toets of geef je drie à vier keer per jaar een SE-toets over meer hoofdstukken tegelijk? Kies je in alle leerjaren dezelfde aanpak of varieer je daarin?
Bij het PTA vind je voorbeelden van keuzes die je kunt maken.

Inhoud en vorm van toetsing

Welke onderwerpen worden praktisch getoetst, welke schriftelijk? Worden er ook handelingsdelen opgenomen in het SE? Duren alle toetsen even lang? Op welk moment van het schooljaar wordt er getoetst? Voor deze en andere vragen, zie een toetsvorm kiezen.

​​​De weging

Hoe is de weging? Praktische toetsen versus theoretische toetsen? Wegen de toetsen van klas 4 minder zwaar dan die van de examenklas? Bij het PTA vind je voorbeelden van keuzes die je kunt maken.

Wat telt me​​​e?

Hoe verhouden de schoolexamenonderdelen zich tot voortgangstoetsen? Hoe is de voortgangsrapportage geregeld, hoeveel rapporten worden er gegeven en wanneer? Op welke gronden vindt bevordering naar een volgend schooljaar plaats?
Mogelijk gelden de schoolexamenonderdelen ook als voortgangstoets, naast toetsen die geen deel uitmaken van het SE. Zo'n examenonderdeel geldt dan ook als voortgangstoets, maar kan een ander gewicht krijgen, waardoor er voor de verschillende functies die een toets heeft verschillende cijfers gegeven moeten worden.​​

Wat kan in het schoolexamen

Je kunt een scala aan toetsvormen gebruiken. Schoolexamentoetsen zijn niet per definitie schriftelijke (pen-en-papier) toetsen. Ook andere toetsvormen zijn mogelijk en toegestaan, omdat er geen vormvoorschriften meer gelden. Met een scala aan toetsvormen kan de breedte van het vak beter bestreken worden.
Hieronder volgt een korte omschrijving van enkele mogelijkheden. Voor een uitgebreidere omschrijving en tips zie de pagina toetsvorm kiezen.

​1. Practicumtoetsen

Een practicumtoets lijkt veel op een schriftelijke toets, maar om de antwoorden op vragen te geven, moeten de leerlingen praktische handelingen uitvoeren. Bijvoorbeeld een microscopisch preparaat maken en dat in tekeningen vastleggen, een verdunningsreeks maken of diergedrag observeren. De kwaliteit van het uitvoeren van die handelingen is onderdeel van de beoordeling. Vaak wordt er ook naar toepassing van vakkennis gevraagd.

​2. Praktische opdrachten

Er zijn veel verschillende soorten praktische opdrachten (PO). Voorbeelden: een eigen experimenteel onderzoek, een literatuurstudie of het uitvoeren van veldwerk. Kenmerk is meestal dat de leerlingen er over een langere periode aan kunnen werken, een aantal weken of maanden. Praktische opdrachten hebben daardoor ook meestal een grote mate van vrijheid voor de leerlingen. Denk aan onderwerp, aanpak, tijdsbesteding en vormgeving.

3. Pre​​sentaties

Het product van een opdracht voor leerlingen kan een presentatie zijn. Over de kenmerken van een zelfgekozen plant, over een standpuntbepaling ten aanzien van seksualiteit of de uitkomst van een eigen experimenteel onderzoek et cetera.
De presentatie kan de vorm hebben van een poster die toegelicht wordt (bijvoorbeeld op een informatiemarkt), een diapresentatie (met Powerpoint of Prezi) of een filmpje (bijvoorbeeld van het gebruik van spieren bij een bepaalde sport). De beoordeling betreft meestal een combinatie van inhoud (vaktaal, vakkennis e.d.) en vorm (taalgebruik, illustraties, …).

​4. Handelings​delen

Sommige activiteiten zijn moeilijk te beoordelen, maar zijn toch zo belangrijk dat elke leerling ze gedaan moet hebben. Dat kan dan de vorm van een handelingsdeel krijgen. Bijvoorbeeld een bezoek aan een biotechbedrijf of deelname aan Coastwatch. Beoordeling beperkt zich meestal tot 'naar behoren gedaan', waar dan minimumeisen als aanwezigheid of aantal bestede uren aan verbonden zijn.

Je k​​unt de inhoud op verschillende manieren invullen

Een schoolexamen is meer dan een toets over een of meer hoofdstukken uit het boek. Aan een examen zijn belangrijke consequenties verbonden. Daarom moeten ze ook van goede kwaliteit zijn. Een manier om daar goed zicht op te krijgen is het gebruik van een toetsmatrijs.
In een toetsmatrijs is aangegeven in welke hoeveelheid de verschillende leerstofonderdelen in de toets vertegenwoordigd (moeten) zijn en welk 'denkgedrag' bij de verschillende opgaven van de leerlingen verwacht wordt. Met een toetsmatrijs kunnen zowel bestaande toetsen geanalyseerd worden als de constructie van nieuwe toetsen gestuurd. Door verschillende toetsmatrijzen voor verschillende schoolexamens te gebruiken, kan bijvoorbeeld het verschil in moeilijkheid tussen toetsen voor de vierde klas en die voor de zesde klas in de gaten gehouden worden.

Je kunt op versch​​illende manieren jouw PTA vorm en inhoud geven

Een Programma van Toetsing en Afsuiting moet minimaal een beschrijving geven van aantal, inhoud, toetsvorm, gewicht en herkansingsmogelijkheden van de schoolexamenonderdelen. Maar je kunt er ook meer informatie in opnemen, zoals afname/inleverdatum en tijdsduur.
Vaak zijn de vormvoorschriften voor een PTA per school vastgelegd. Maar binnen die randvoorwaarden zijn er meestal nog wel keuzes te maken. Denk aan de aanduiding van de inhoud van de verschillende schoolexamentoetsen. Verwijs je naar hoofdstukken en paragrafen uit het boek of naar de eindtermen zelf? Neem je die letterlijk over of herschrijf je die in leerlingentaal?

Voor voorbeelden van keuzes die je in dit verband kunt maken zie het PTA.​​