O7: Gedrag en interactie - vwo (subdomein D3)

20 december 2022

Eindterm

De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van communicatie, gezondheid en veiligheid verklaren op welke wijze gedrag van organismen en populaties ontstaat, benoemen wat de functie van het gedrag is en benoemen op welke wijze het zich ontwikkelt.

Mogelijke specificatie

De kandidaat kan bijvoorbeeld in een context: Mogelijke deelconcepten
1. verklaren hoe gedrag verwijst naar acties en reacties; interne factoren, externe factoren, gedragssysteem, ethogram, genen, aangeboren, erfelijk, aangeleerd, klassiek en operant conditioneren, gewenning, inprenting, imitatie, reflex, overleven, communicatie, sociaal gedrag, instinct, nature-nurture
2. factoren uit de interne omgeving beschrijven, zoals: hormonen, biologische klok, veranderingen in de stofwisseling, impulsen vanuit hersengebieden;
3. de dynamische relatie beschrijven tussen een organisme en zijn omgeving;
4. toelichten dat gedrag deels erfelijk bepaald is;
5. omschrijven hoe het gedrag van een individueel organisme de verschillende levensfasen van het organisme weerspiegelt;
6. imponeergedrag, territoriumgedrag, sociaal gedrag, voedingsgedrag en voortplantingsgedrag uitleggen als voorbeelden van functioneel gedrag en de relatie leggen tussen deze vormen en overlevingskansen;
7. uitleggen hoe gedrag evolueert onder invloed van selectiedruk;
8. gedrag beschrijven door gedragselementen te benoemen en uit te werken in een handelingsprotocol en/of in een ethogram;
9. verklaren waardoor populaties, zoals een school vissen of een zwerm vogels, gedrag vertonen dat een meerwaarde heeft ten opzichte van het gedrag van de afzonderlijke organismen;
10. gedragsbiologie omschrijven als een tak van de biologie die zich bezighoudt met de verschillen en overeenkomsten in gedrag tussen soorten en de evolutionaire achtergrond daarvan;
11. verschillen en overeenkomsten beschrijven tussen mensapen en mensen, in het bijzonder wat communicatie, moreel bewustzijn en empathie betreft;
12. de relatie toelichten tussen gedragsonderzoek en andere onderzoeksgebieden op het terrein van: moleculaire biologie, neurofysiologie, gedragsecologie, cognitieve psychologie, evolutionair onderzoek, (epi)genetisch onderzoek;
13. de resultaten van gedragsonderzoek toepassen en de implicaties voor de maatschappij toelichten.