Routeboekjes bij methode Pluspunt
Omdat het lastig kan zijn en bovendien tijdrovend is voor leraren om zelf te gaan schrappen in de rekenmethode op basis van de fundamentele doelen/referentieniveau 1F, heeft SLO als experiment bij de rekendomeinen Getalbegrip, Breuken en Tijd van de methode Pluspunt zogenaamde routeboekjes gemaakt.

In deze boekjes staat per leerstofdomein aangegeven, welke opdrachten en activiteiten uit de methodematerialen van groep 3 tot en met 8 leerstof bieden uit dit domein en staat bij elke opdracht uit alle leerjaren van groep 3 tot en met 8 genoteerd of 'onze leerlingen' deze wel moeten doen of mogen overslaan. Met dit traject kan de leerling voor het betreffende domein de fundamentele doelen (en fundamenteel niveau 1F) bereiken.
In de toelichting (zie document 'Handreiking Pilot Pluspunt') vindt u algemene informatie over de wijze waarop u de routeboekjes kunt inzetten. Het gaat hierbij om een aantal algemene aandachtspunten, omdat het schoolafhankelijk is op welke wijze de routeboekjes ingezet (kunnen) worden.

Pilot Pluspunt

Het ontwikkelen van routeboekjes is tijdrovend en daarmee ook kostbaar. Pas als blijkt dat scholen en leerlingen voldoende baat hebben bij het werken met de routeboekjes en wij daarvan een beeld hebben, zullen we verder gaan met het ontwikkelen van routeboekjes bij de andere domeinen van Pluspunt en eventueel ook bij andere rekenmethodes. Wij stellen het daarom zeer op prijs als u ons laat weten of u daadwerkelijk met de routeboekjes aan de slag gaat en of u wilt deelnemen aan de pilot Pluspunt. Dat kan via primaironderwijs@slo.nl.

De pilot bestaat uit een proefperiode waarin u, met één of meerdere rekenzwakke leerlingen, aan de slag gaat met de routeboekjes. Vervolgens zal aan de hand van een schriftelijke evaluatie geïnventariseerd worden op welke wijze u gewerkt heeft met de routeboekjes en wat uw bevindingen daarbij zijn. Na een proefperiode van zo'n 6 weken, krijgt u een evaluatieformulier toegestuurd waarin de volgende onderdelen geëvalueerd worden:

  • op welke wijze de leerlingen geselecteerd zijn;
  • welke leerling(en) met de routeboekjes gewerkt hebben;
  • met welk(e) routeboekje(s) de leerlingen gewerkt hebben;
  • op welk punt u bent gestart in de routeboekjes en hoe u dat heeft bepaald;
  • op welke wijze u het werken met de routeboekjes heeft vormgegeven, of dit bevallen is;
    • tijd die u aan het werken met de routeboekjes heeft besteed;
    • de gekozen organisatievorm: individueel of in een groepje;
    • op welke wijze u de instructie/begeleiding heeft vormgegeven;
    • op welke wijze u met de leerlingen door de opgaven bent gegaan;
    • op welke wijze u de (zelfstandige) verwerking heeft vormgegeven;
    • op welke wijze u de voortgang van de leerlingen heeft bepaald;
    • op welke wijze u met de verschillende materialen (boeken en leerjaren) heeft gewerkt;
    • op welke wijze u de leerling betrokken heeft in het proces van bespreken wat er te leren valt, kiezen van stof en evalueren of de doelen bereikt zijn;
  • Hoe de leerlingen hebben gereageerd op het werken met de routeboekjes. Waarin verschilde dit met het werken van de periode vóór de routeboekjes?
    • Hoe hebben de leerlingen het werken met de routeboekjes ervaren (gemotiveerd en vol zelfvertrouwen)?
    • Zijn leerlingen zich bewust geweest van wat ze leerden?
    • Hebben de leerlingen vooruitgang ervaren?
    • Hebben de leerlingen voldoende met andere kinderen kunnen samenwerken?
  • Of de leerlingen, gezien de tijdsinvestering, ook daadwerkelijk vooruitgegaan zijn;
  • Op welke wijze u in de toekomst met de routeboekjes zou willen werken;
  • Belangrijke aandachtspunten voor toekomstige gebruikers en voor ontwikkelaars.