Zoeken - zoekresultaten
verfijn de resultaten
Voor het samenstellen van deze begrippenlijst is het Domein 4 van het Referentiekader Taal als basisdocument genomen.
De hoofdgroepen in het dierenrijk zijn als volgt in te delen.
Er is sprake van gewervelde en ongewervelde dieren.
De gewervelde dieren hebben een inwendig skelet en zijn in te delen in:
- zoogdieren (haren, vier ledematen);
- vogels (veren, vier ledematen: twee poten, twee vleugels);
- reptielen (schubben, vier ledematen, longen);
- amfibieën (kale huid, vier ledematen, kieuwen als jong, later longen);
- vissen (schubben, vinnen, kieuwen).
De ongewervelde dieren hebben geen inwendig skelet, maar soms een uitwendig skelet.
De kleine diertjes in de schoolomgeving horen doorgaans tot de volgende groepen:
- geleedpotigen, waaronder de spinnen (4 paar poten), de insecten (3 paar poten), de kreeftachtigen (5 paar poten) en de duizendpoten (2 paar poten per segment);
- wormen;
- weekdieren (slakken, schelpen).
Tijdens het intepreteren van teksten koppelen leerlingen hun eigen kennis (‘kennis van de wereld’) en ervaringen aan de inhoud van de tekst. Bij verhalen en gedichten gaat het bijvoorbeeld om eigen gevoelens, ideeën, angsten, dromen of wensen.
Weet je als leerkracht over welke competenties je moet beschikken als je Engelse lessen verzorgt in het primair onderwijs?
De rekenontwikkeling verloopt langs drie domeinen van rekeninhouden: Getalbegrip, Meten en Meetkunde. Deze verschillende (deel)domeinen komen soms specifiek, maar meestal in samenhang aan de orde.
Het kind leert omgaan met zichzelf en de ander, het leert wat de eigen en andermans gevoelens zijn.