Overwegingen bij het opstellen van een PTA

24 september 2020

Er is veel vrijheid om het PTA naar eigen inzicht in te richten. Om tot een deugdelijk PTA te komen moet je als school dus veel eigen keuzes maken. De koninklijke route is om eerst het examenprogramma om te zetten in een onderwijsprogramma en daar het PTA bij te maken.

Het examenprogramma geeft alleen de exameneisen aan, geformuleerd in termen van kennis, inzicht en vaardigheden. Het examenprogramma omvat geen vormvoorschriften, voorschriften voor de vorm van toetsing, wegingen binnen het schoolexamen etc. Dat betekent dat scholen vrij zijn om zelf te bepalen hoeveel toetsen, praktische opdrachten en handelingsdelen zij willen afnemen en wat de weging voor het eindcijfer daarvan zal zijn. De eindtermen geven voor het schoolexamen ook uitsluitend het minimum aan, meer mag. Scholen zijn dus vrij om leerlingen bijvoorbeeld meer dan twee keuzeactiviteiten te laten kiezen. Na het onderwijsprogramma volgt het toetsplan. Welke onderdelen uit het programma worden wanneer en hoe beoordeeld? Dat kan gaan om formatief evalueren en om summatief evalueren. En van de summatieve toetsen kan een deel in het PTA terechtkomen en een deel alleen voor de overgang meetellen.

Toetsen per eindterm of per programmaonderdeel

In de algemene richtlijnen voor het maken van een PTA wordt vaak uitgegaan van toetsen per eindterm of onderdeel van het examenprogramma. Omdat voor BSM vrijwel alle eindtermen in of direct naar aanleiding van praktische situaties aan bod komen ligt dat voor BSM iets anders. Het ligt meer voor de hand om de toetsen te koppelen aan onderdelen uit het programma en dan in het PTA te verantwoorden hoe de eindtermen aan die onderdelen gekoppeld zijn zodat alle eindtermen wel ergens afsluitend getoetst worden. Omdat BSM alleen een schoolexamen kent hoort dat zo.
Op die manier kan het voorkomen dat bepaalde eindtermen vaker dan één keer afsluitend getoetst worden, maar dat is niet strikt verboden. Het geeft de leerling zelfs een extra herkansingsmogelijkheid. Bovendien kent het examenprogramma voor BSM in domein B (Bewegen) de eis dat leerlingen binnen een subdomein verschillende beweegactiviteiten kunnen uitvoeren en daarbinnen ook nog keuzemogelijkheden hebben. Het ligt niet voor de hand dat al die mogelijkheden op één moment getoetst worden. Een gevolg daarvan is ook dat alle PTA toetsen niet in het examenjaar afgenomen zullen worden, maar verspreid over meerdere leerjaren.

Verhouding theorie en praktijk

Vanaf de beginfase van BSM werd door de ontwikkelgroep die het examenprogramma ontwikkelde een advies gegeven voor de verdeling en weging van toetsen en praktische opdrachten. In het onderstaande schema worden die voorstellen nog eens weergegeven. Ze zijn uiteraard niet bindend, maar passen wel bij de bedoeling van het examenprogramma. De eindtermen komen idealiter in of direct naar aanleiding van praktische situaties aan bod en ze moeten daarom ook zo worden getoetst.

PTA BSM Havo Vwo
Theorietoetsen 30% 30%
Praktische opdrachten:
1. Bewegen 35% 25%
2. Bewegen en regelen (lesgeven en organiseren 25% 15%
3. Bewegen en gezondheid (trainingsprogramma) 10% 10%
4. Onderzoeksopdracht (reflectieopdracht vwo) n.v.t. 20%

Onderzoeksopdracht

Daarbij valt de onderzoeksopdracht voor vwo op. Van vwo-leerlingen wordt verwacht, gelet op het doorstromen naar het wetenschappelijk onderwijs, dat zij onderzoek leren doen. De onderzoeksopdracht is bovendien een extra reflectieopdracht voor vwo om nadruk te leggen op meer theoretische diepgang in die voorbereiding op het vervolgonderwijs.

De onderwerpen van de onderzoeksopdrachten kunnen gekoppeld worden aan de verschillende profielen waarvoor de leerlingen gekozen hebben. Tevens bestaat de mogelijkheid om de onderzoeksopdracht te laten aansluiten bij het profielwerkstuk. In het laatste geval zal het voordeel van de leerling zijn dat er enige overlap in beide opdrachten kan zitten.

Ervaringsopdracht

Als ervaringsopdracht zouden leerlingen bijvoorbeeld kunnen kiezen voor een stage als assistent pupillentrainer. Als uitbreiding zouden de liefhebbers dan kunnen kiezen voor een trainerscursus op scheidsrechtersopleiding van hun sportbond. De opleiding kan samen met een plaatselijke club worden georganiseerd. Het theoretische deel kan op school worden verzorgd door een opleidingsdocent van de bond of de docent BSM. Leerlingen kunnen ook zelf op zoek gaan naar een activiteit waarbij ze in het werkveld van sport en bewegen twintig uur ervaring opdoen.