Zoeken - zoekresultaten
verfijn de resultaten
Volksdansen die tot op zekere hoogte bewerkt zijn voor kinderen, zodat ze technisch haalbaar zijn voor een bepaalde leeftijdsgroep. Ze worden aangeboden op een manier die goed aansluit bij hun belevingswereld en het dansplezier vergroot.
De kinderen maken verschillende bewegingen met de afzonderlijke lichaamsdelen: bijvoorbeeld alleen het hoofd, een arm, een been.
Zwaai in een touw en klim naar boven in een touw met of zonder knoop (hoofdhoogte).
- Het gaat om informatie betreffende henzelf, hun familie en directe concrete omgeving;
- De teksten zijn eenvoudig en helder van structuur;
- De indeling en afbeelding bij de tekst geeft visuele ondersteuning bij het begrijpen van de tekst;
- Het taalgebruik is zeer eenvoudig;
- Het betreft bijvoorbeeld advertenties, menu's en dienstregelingen of korte, eenvoudige, persoonlijke brieven;
- De woorden zijn kort en hoogfrequent, bekend uit de eigen taal of behorend tot internationaal vocabulaire.
Noties = woorden en zinnen in het Engels, bijvoorbeeld: 'Where's the mouse?'.
Vaste noties = standaardzinnen die de kinderen uit hun hoofd kunnen leren, bijvoorbeeld 'Where's the...?'.
Variabele noties = woorden of onderdelen van zinnen die kunnen variëren, bijvoorbeeld dieren: cat, dog, pig, duck.
Interferentiefouten = fouten in de ene taal, bijvoorbeeld het Engels, die ontstaan vanuit de spelling van de moedertaal, bijvoorbeeld het Nederlands.
Voorbeelden hiervan zijn: hobby's (Ned.) i.p.v. hobbies (Eng.) en Englisch i.p.v. English.
Drie spelers gooien op de basket van 2,5 meter hoog. Je begint op startplaats (2,5 meter van basket), als er misgegooid wordt mag de volgende gooien vanaf plaats waar de bal afgevangen wordt, als er raak gegooid wordt begin je weer op startplaats.
Een kijkwijzer is een handleiding, een reeks vragen, die je stimuleert om bewuster naar een beeld te kijken.
| Wat valt je op, wat is je eerste indruk? | De kinderen geven een eerste spontane reactie en vertellen wat er bij hen opkomt) |
|---|---|
| Wat is het, wat stelt het voor? | Wat stelt het schilderij, beeldhouwwerk, foto voor? Wat is het voor gebouw, gebruiksvoorwerp, kledingstuk ? wat is de functie ervan? |
| Wat zie je allemaal, hoe ziet het eruit? | Hoe is het gemaakt? Van welk materiaal? Welke beeldaspecten spelen een belangrijke rol? Hoe zijn deze beeldaspecten gebruikt? |
| Waarom zou het zo gemaakt zijn? | Voor wie is het beeld of object bedoeld? Wat roept het kunstwerk bij je op? Wat vertelt het beeld je? Hoe en waaraan zie je dat? |
| Wat vind je er van en waarom? | Is je mening anders dan je eerste indruk nu we er wat langer naar gekeken en er over gepraat hebben? Waardoor komt dit? Als jij zoiets zou maken, hoe zou jij het dan doen? |
De vragen in de kijkwijzer zijn heel algemeen gesteld, in de praktijk betekent het dat ze afgestemd moeten worden op het betreffende onderwerp en op het ontwikkelingsniveau van de kinderen. je vraagt kinderen uit groep 5 dus niet: 'Welke beeldaspecten zijn gebruikt?', maar 'Wat kun je vertellen over de kleur van de krokodil en de kleuren van de grond?'
Bron: van Onna, J. & Jacobse, A. (2004). Laat maar zien, een didactische handleiding voor beeldend onderwijs. Groningen: Wolters-Noordhoff.
Hoewel kikkers beschermd zijn, mag kikkerdril worden gebruikt ten behoeve van het onderwijs.
Met nervatuur worden de nerven van een blad bedoeld. De nervatuur kan verschillend zijn. De belangrijkste zijn:
- veernervig: een hoofdnerf met zijnerven (eik, beuk);
- handnervig: nerven ontspringen vanuit een punt (kastanje);
- parallelnervig: nerven lopen naast elkaar (tulp, lelie).
Voor een verdere indeling kun je het beste een flora gebruiken.