Hoe monitoren scholen de kwaliteit van hun uitgevoerde curriculum?
Om een beeld te krijgen van de manier waarop leraren het beoogde curriculum vertalen naar hun dagelijkse lespraktijk, interviewde Regioplan in opdracht van SLO onder meer bestuurders, kwaliteitsadviseurs en kwaliteitsmedewerkers. Welke informatie halen zij op, hoe doen ze dat, welke ondersteuning krijgen kwaliteitsmedewerkers en is dat voldoende? Deze vragen stonden centraal in het onderzoek.
Bij de meeste besturen in het onderzoek is curriculum geen apart onderwerp binnen de kwaliteitscyclus. De focus ligt op toets resultaten, referentieniveaus en de kernindicatoren van de onderwijsinspectie. Pas als resultaten tegenvallen of een school een risicosignaal afgeeft, gaat het gesprek over het curriculum: hoe ziet onze leerlijn eruit, sluit het aanbod aan bij de leerlingen, welke methode wordt gebruikt? Veelal wordt aangenomen dat lesmethodes de kerndoelen afdekken, zonder dit inhoudelijk te toetsen.
Beperkt zicht op de praktijk
Wat opvalt is dat als het aankomt op curriculumkwaliteit, kwaliteitsmedewerkers meestal informatie gebruiken die eigenlijk niets zegt over wat er daadwerkelijk in lessen gebeurt. Doelen, beleid of methodes lijken op papier in orde, tegelijkertijd betekent dat niet dat dit doorwerkt in de lessen zelf. Ondanks het inzetten van lesbezoeken als monitoringsinstrument vertellen meerdere respondenten dat de lespraktijk grotendeels buiten beeld blijft in de kwaliteitscyclus. Besturen hebben dus vooral zicht op het beoogde curriculum (plannen en beleid).
Gebrek aan tijd én handvatten: wat is een goed curriculum?
Scholen en besturen geven aan weinig tijd en ruimte te hebben om bewust met curriculumkwaliteit bezig te zijn. Daardoor leunen zij sterk op methodes en is er beperkt gelegenheid om curriculumvraagstukken zelf te onderzoeken. Ook geven sommige besturen aan dat zij onvoldoende zicht hebben op de curriculumkeuzes van hun scholen, waardoor het lastiger is om ervaringen te delen, van elkaar te leren en gerichte ondersteuning te bieden. Tegelijkertijd is er wel behoefte aan concrete handvatten om te bepalen wanneer een curriculum van goede kwaliteit is.
Verschillen tussen besturen
Besturen maken bewuste keuzes in hun rol. Sommige, vaker in het vo, kiezen voor een faciliterende rol en laten de inhoud bij de scholen. In het po nemen besturen vaker een actievere rol. Ze faciliteren meer samenwerking of uitwisseling tussen scholen, bijvoorbeeld via vakinhoudelijke netwerken voor taal en rekenen. Deze keuze lijkt vooral samen te hangen met de visie op sturing en verantwoordelijkheid.
Doen we het goede en hoe doen we het goed?
De kwaliteitsmedewerkers in het onderzoek zijn zich bewust van het belang van een goed curriculum, maar in de praktijk wordt het zelden systematisch of apart gemonitord. Het onderwerp komt vooral naar boven als resultaten daar aanleiding toe geven. Het rapport laat zien dat er behoefte is aan meer aandacht, kennis en praktische instrumenten om curriculumkwaliteit van het uitgevoerd curriculum zichtbaarder en beter bespreekbaar te maken, zowel in het primair als het voortgezet onderwijs.
De nieuwe kerndoelen en examenprogramma’s vragen scholen en besturen om bewuste curriculumkeuzes. Om opnieuw naar hun curriculum te kijken. Welke keuzes maken we in wat leerlingen moeten kennen, kunnen en ervaren? Hoe zorgen we voor samenhang, kwaliteit en aansluiting bij onze ambities en de behoefte van leerlingen? De inzichten uit dit onderzoek kunnen helpen om deze gesprekken te voeren. Ze laten zien hoe andere besturen en scholen omgaan met curriculumkwaliteit, welke vraagstukken daarbij spelen en waar kansen liggen om kwaliteit bewuster te monitoren, bespreken en versterken.
Bekijk het hele rapport: Taakinvulling kwaliteitsmedewerkers (download)
Waarom dit soort onderzoek?
Een curriculum is nooit af: een goed fundament is stabiel én beweegt mee met de tijd. Maar hoe weten we wat daarvoor nodig is en wat er dan anders moet? Via onderzoek, evaluatie en signalen uit het veld. Iedereen kan via ons loket suggesties voor het curriculum aandragen, terwijl een landelijke onderzoeksagenda straks zorgt voor een samenhangende en meerjarige blik op het curriculum in de praktijk.
We gebruiken deze inzichten bijvoorbeeld om gericht ondersteuning te bieden en kennis te delen tijdens de implementatie van de nieuwe kerndoelen en examenprogramma’s. En tegelijktijdig bouwen we kennis op met oog op toekomstig onderhoud.