Oriëntatie op jezelf en de wereld: groep 7

15 mei 2020

Het onderwijs ziet er in deze tijd ineens heel anders uit. Je zult scherp moeten kiezen welke doelen wel en welke niet haalbaar zijn. Wat zijn de belangrijkste doelen voor wereldoriëntatie? Wat is voor je leerlingen belangrijk? Waar moet je aan denken als hen optimaal wilt voorbereiden voor de overgang naar het voortgezet onderwijs?

Leerlingen in groep 7 kunnen steeds sneller en steeds abstracter denken. Ze hebben meer kennis en kunnen deze kennis sneller combineren en in verschillende contexten toepassen. Ze worden meer en meer bedreven in vaardigheden als informatie verwerven en verwerken. Leerlingen worden mondiger: ze denken na over meningen en kunnen hun eigen standpunt ook steeds beter bepalen en verwoorden.

In groep 7 is wereldoriëntatie een heel duidelijk en zelfstandig onderdeel van het curriculum. In groep 7 werk je daarom aan de volgende vaardigheden:

Verkennen, ervaringen opdoen, onderzoeken en inleven

Leerlingen worden gestimuleerd om vragen te stellen, en gericht waarneming te doen en zich in te leven:

  • in biologische en natuurkundige fenomenen;
  • in gebeurtenissen en ontwikkelingen in het verleden, heden en de toekomst;
  • in mensen, organisaties en beroepen in Europa.

Benoemen, ordenen, beoordelen en waarderen

Leerlingen worden in situaties gebracht dat zij schooltaal actief gaan gebruiken en dat zij nadenken over nieuwe kennis door:

  • het actief hanteren van moeilijke woorden (vergelijken, onderzoeken), concrete wereldoriëntatiebegrippen (fotosynthese, licht, voortplanting, groei, temperatuur, werelddeel, hoofdstad, vulkaan, slavernij, ontdekkingsreis) of abstractere wereldoriëntatiebegrippen (historische bron, staatsvorm, regering,  abiotische factoren, netwerk) en synoniemen gebruiken, begrippen in een andere taal opzoeken en gebruiken;
  • informatie te ordenen. Denk aan: op zoek gaan naar patronen (‘wat gebeurt er als…?’), tijdbalken maken (‘wat was eerst, wat kwam daarna?’), verbanden leggen (‘wat heeft … te maken met…?)’, kaarten tekenen (‘wat gebeurde er waar?’), vergelijkingen maken (‘wat is het verschil, wat is de overeenkomst?’), modellen  ontwerpen en maken (‘wat beïnvloedt wat?’);
  • informatie te beoordelen. Denk aan: de Wetenschap & technologie-benadering (‘hoe weten we dit?’), feiten en meningen onderscheiden (‘wie zegt dit? Is het een mening of is het een feit?’)
  • zelf een mening te vormen met behulp van verschillende meningen van anderen.

Doelen per vakgebied

Tijd (geschiedenis)

Verkennen, ervaringen opdoen, onderzoeken en inleven

  • vanuit verhalen over historische gebeurtenissen en historische personen, bij voorkeur uit authentieke bronnen;
  • met historische voorwerpen, plaatsen of beelden uit de omgeving;
  • eenvoudige bronnen zoeken, raadplegen, interpreteren en vergelijken.

Benoemen, ordenen, beoordelen en waarderen

  • actief gebruik van vakbegrippen als slavernij, tijdvak, regering en stoommachine;
  • ordenen van gebeurtenissen op de tijdbalk of eenvoudige stamboom;
  • beoordelen van een gebeurtenis vanuit de vraag: wat is hetzelfde gebleven en wat is veranderd? Eenvoudige verklaringen geven voor verschillen: waarom zijn voorwerpen, plaatsen, de omgeving, gebouwen veranderd? (denken in continuïteit en verandering en denken in oorzaak en gevolg);
  • denken over nu en vroeger: hoe zouden mensen vroeger aankijken tegen…? Waarom maakten mensen toen die keuze? Standpunten van toen en nu vergelijken, inleven in historische personen of gebeurtenissen (historisch besef, standplaatsgebondenheid).

Natuur, wetenschap en techniek

Verkennen, ervaring opdoen, onderzoeken en inleven

  • van planten, bomen en dieren (groei en voortplanting);
  • van natuurkundige fenomenen (krachten, constructies, materiaaleigenschappen);
  • van het eigen lichaam.

Benoemen, ordenen, beoordelen en waarderen

  • actief benoemen van biologische indelingen (‘… en … zijn zoogdieren’, ‘… en … zijn knollen’);
  • ordenen van stappen uit een cyclus of proces (zoals ‘eerst komt dit, dat zorgt ervoor dat …’);
  • beoordelen of een onderzoek goed is verlopen én beoordelen of een ontwerp voldoet aan de gestelde eisen;
  • nadenken over ethische vragen zoals vragen over dierproeven en technische toepassingen.

Ruimte (aardrijkskunde)

Verkennen, ervaring opdoen, onderzoeken en inleven

  • van de eigen omgeving;
  • in actuele gebeurtenissen en ontwikkelingen in de eigen omgeving, Nederland en Europa;
  • in mensen, beroepen en organisaties.

Benoemen, ordenen, beoordelen en waarderen

  • actief hanteren van concrete begrippen om beelden van Europa te beschrijven (zoals bergen, fjorden, stedelijke gebieden) en abstractere begrippen (klimaatgebieden, migratie en cultuur);
  • ordenen van plaatsen door beelden (foto’s, video’s) en begrippen te koppelen aan plaatsnamen op de kaart (van Europa);
  • beoordelen van gebeurtenissen en ontwikkelingen aan de hand van meningen van betrokkenen (‘wat vindt wie?’ en ‘wordt er voldoende rekening gehouden met iedereen?’);
  • zelf een mening vormen met behulp van meningen van anderen.

Praktische suggesties bij de doelen

Geschiedenis

  • Laat leerlingen de stamboom van hun eigen gezin uitzoeken en tekenen: begin bij jezelf, dan je ouders en daarna grootouders (terug in de tijd) en beantwoord bijvoorbeeld vragen als: wie zijn opa en oma, wanneer zijn zij geboren (en overleden); welke kinderen (tantes en ooms) zijn er, wie zijn de broertjes en zusjes, nichtjes en neefjes? Als het mogelijk is kan daar nog een generatie aan toegevoegd worden: wellicht dat de leerling de opa en oma kan laten vertellen over hun eigen ouders.
  • Laat leerlingen verkennen hoe ‘normale’ zaken van nu vroeger anders waren: het gebruik van telefoons en media, schoolgaan, vakanties, rolverdeling in het gezin, vervoer, etc. Daarbij kunnen ze hun ouders of grootouders vragen. Misschien zijn er foto’s of objecten om veranderingen te illustreren. Laat leerlingen eenvoudige verklaringen zoeken voor de veranderingen. Hierbij oefenen leerlingen met belangrijke vaardigheden: inleven in een ander (in een andere tijd), continuïteit en verandering en oorzaak en gevolg beschrijven. Maak leerlingen ervan bewust dat zij bronnen gebruiken: verhalen van thuis, van grootouders, oude afbeeldingen of voorwerpen en kaarten, drukwerk, dagboeken en brieven. Laat leerlingen ook nadenken over de betrouwbaarheid van de bronnen die zij gebruiken (vertellen de bronnen allemaal hetzelfde, hoe zou je verschillen kunnen verklaren, welk perspectief vertelt de bron, waarom is de bron gemaakt, enz.?).

Natuur, wetenschap en techniek

  • Welke planten zou je een handje kunnen helpen bij de voortplanting? Hoe doe je dat? Wat werkt wel/niet?
  • Onderzoek wat een plant nodig heeft om te groeien (donker/licht experiment en/of water experiment en/of temperatuur experiment).
  • Zelf een vogelhuisje bouwen met gereedschap, dat betekent ontwerpen, uitdenken en testen. Want waaraan moet een goed vogelhuisje voldoen? En wat is de beste locatie om deze op te hangen? Waaraan voldoet een goed vogelhuisje voor een pimpelmees of juist een merel?

Aardrijkskunde

  • Laat leerlingen nadenken hoe actuele gebeurtenissen en ontwikkelingen van invloed zijn op de eigen omgeving. Denk aan: de invloed van vakantiegangers in gebieden, arbeidsmigranten die uit Oost-Europa naar Nederland komen om seizoensarbeid te verrichten, het toenemend gebruik van duurzame energie, de maatregelen om minder stikstof in het milieu te krijgen.
  • Bespreek nieuwsberichten uit Europa: waar vindt dit plaats? Waarom vindt het juist daar plaats? Waar zie je dat nog meer? Wat vinden mensen ervan?

contactpersoon

Anton Bakker