Taal/lezen: groep 5-6

8 oktober 2020

Bij het combineren van onderwijs thuis en op school kan het lastig zijn het volledige onderwijsprogramma te verzorgen. Denk aan situaties waarbij een leraar afwezig is, een of meer leerlingen thuis moeten blijven of de school tijdelijk dicht is. Wat zijn dan zinvolle doelen om aan te werken als het gaat om je aanbod rond lezen, taal en spelling aan leerlingen in groep 5-6?

Doelen

De belangrijkste leerdoelen voor de komende periode voor taal en lezen zijn:

  1. Lezen en leesbevordering. Om kinderen vlot te laten lezen is het belangrijk dat ze veel lezen, het liefst rondom eenzelfde thema. Naast het zelf lezen is het belangrijk dat leerlingen ook rijke teksten wat betreft inhoud en tekstkwaliteit te horen krijgen (ook passend bij het thema).
  2. Functioneel schrijven en spreken & luisteren. Om leerlingen tijdens onderwijs op afstand betrokken en gemotiveerd te houden is het belangrijk om taaltaken zo functioneel en betekenisvol mogelijk te maken.

Verder kun je je eigen leerlijn spelling volgen zoals je dat gewend bent. Wat betreft het werken aan woordenschat is het belangrijk dat je woorden in thematische clusters blijft aanbieden, passend bij de teksten die leerlingen lezen en het thema waarbinnen je werkt. Oefenen met technisch lezen is alleen nodig voor de leerlingen die het lezen nog onvoldoende geautomatiseerd hebben. In deze fase zou een leerling verschillende technieken moeten kunnen gebruiken om een tekst vloeiend en met de juiste uitspraak, tempo, inzet leestekens te lezen.

Lezen en leesbevordering

  • Leerlingen lezen kinderboeken (bijvoorbeeld detectiveverhalen, verhalen over verschillende culturen, humoristische series), gedichten en stripboeken.
  • Leerlingen lezen informatieve, betogende, beschouwende en instructieteksten.
  • Leerlingen wisselen met klas en leerkracht leeservaringen uit en reageren op leeservaringen van klasgenoten. Ze kunnen het thema of de boodschap in een verhaal onderscheiden en de relaties tussen hoofd- en bijfiguren benoemen.

Schrijven

  • Leerlingen schrijven verschillende korte teksten met eenvoudige inhoudselementen: informatieve teksten, betogende teksten, instructieteksten, correspondentie en expressieve teksten. Bij het schrijven van teksten zijn deze doelen belangrijk:
    • Bij het schrijven van de teksten leert de leerling zich afvragen wat hij met de tekst wil zeggen/bereiken en voor wie hij schrijft.
    • Leerlingen besteden aandacht aan aspecten van opmaak  (beeldende elementen, kleur, illustraties, lettertype en -grootte).
    • Leerlingen reviseren de tekst op basis van instructie en verbeteren in de laatste fase de tekst op zinsbouw, regels voor spelling en interpunctie.

Spreken

  • Leerlingen kunnen verschillende soorten presentaties houden. Bij het spreken zijn deze doelen belangrijk:
    • Leerlingen leren de spreektaak voor te bereiden en af te stemmen op het publiek voor wie ze spreken (medeleerlingen die later online terugkijken, oma/opa).
    • Leerlingen gebruiken bij hun presentatie geheugensteuntjes of schema’s om hun tekst met complexere structuur te structureren.

Luisteren

  • Leerlingen luisteren naar verschillende soorten zakelijke en verhalende teksten. Bij het luisteren is belangrijk dat:  
    • Leerlingen de gesproken tekst begrijpen.
    • Leerlingen het gegeven luisterdoel herkennen en het luisterdoel kunnen kiezen.

Praktische suggesties bij de doelen

Lezen en leesbevordering

Verbind de doelen van leesbevordering met andere doelen:

  • Met schrijven: laat leerlingen een eenvoudige recensie schrijven
  • Met spreken: laat leerlingen een boekpresentatie inspreken
  • Met luisteren: laat leerlingen naar een luisterboek luisteren
  • Denk bij lezen aan het zelf lezen van kinderen en aan het luisteren naar ingesproken boeken (luisterboeken, YouTube, digitale boeken). Leerlingen in groep 5/6 breiden hun tekstbegrip uit door te luisteren naar teksten die voorgelezen worden en door zelf te lezen.
  • Zet vooral in op leesbevordering via jeugdliteratuur. Laat leerlingen zelf boeken kiezen op basis van hun eigen voorkeur voor onderwerpen / auteurs. Voorzie kinderen en ouders van tips en suggesties over (e)-boeken en luisterboeken. Waar kunnen ze die vinden en hoe maken ze een goede keuze?
  • Laat leerlingen naast goede jeugdboeken ook verschillende soorten informatieve, betogende en instructieteksten lezen. Maak daarin een keuze in één of twee tekstsoorten en laat deze keuze terugkomen bij het schrijven en/of spreken:
    • Informatief: speciaal voor de doelgroep geschreven tekst (Nieuwsbegrip, kindertijdschrift, reeks informatieboeken).
    • Betogend: teksten waarin mening met argumenten onderbouwd wordt (reclame of advertentie).
    • Instructief: geschreven instructies in diverse bronnen buiten de schoolsituatie.
  • Geef informatie over samen-leesvormen (theaterlezen, tutorlezen) en hoe ze het lezen leuk kunnen houden en kunnen organiseren (leesbingo, vast leesmoment).
  • Zorg voor interactie. Als je samen met je klas (of per groepje) hetzelfde (e-)boek gaat lezen, kun je via een online chatomgeving samen een gesprek voeren aan de hand van de leesvragen van Chambers of volgens de methodiek Literaire Gesprekken.
  • Houd zicht op leren. Bedenk checks op het zelf (voor)lezen of luisteren van boeken: laat ze een klein boekverslag, een leesvlaggetje, een foto maken.
  • Hebben leerlingen nog moeite met vlot en vloeiend lezen? Geef hen dan in een groepje instructie in technisch lezen. Het Lerarencollectief laat zien hoe je dat kunt doen.

Schrijven

Verbind de doelen van schrijven met andere doelen:

  • Met leesbevordering: laat leerlingen een creatieve schrijfopdracht doen naar aanleiding van een gelezen boek.
  • Met spreken: laat leerlingen een uitgeschreven tekst inspreken op een filmpje.
  • Laat leerlingen verschillende soorten informatieve, betogende en instructieteksten schrijven. Maak daarin een keuze in één of twee tekstsoorten en laat deze keuze terugkomen bij het lezen en/of spreken:
    • informatieve teksten: berichten, formulieren, aantekeningen bij een les, korte verslagen van thema, project, excursie, proefje, eenvoudige werkstukken.
    • betogende en/of beschouwende teksten: eenvoudige, korte betogende teksten n.a.v. stelling met enkele argumenten.
    • instructieteksten: bijvoorbeeld recept, spelregel of routebeschrijving met een beperkt aantal stappen, met behulp van een format.
    • correspondentie: een mail, chat, brief over persoonlijke ervaringen en gevoelens aan bekenden.
    • expressieve teksten: een stripverhaal, gedicht met vaste conventies (elf, haiku), dagboek.
  • Kies de schrijfopdrachten uit je reguliere aanbod of kies voor de zelfstandig door te werken lessenserie van SLO of voor een korte schrijfopdracht (van De Schoolschrijver of Suzanne van Norden).
  • Zorg voor een echt publiek en sluit aan bij wat ze nu beleven (post aan ouderen, dagboekfragment of instructie voor een huisgenoot die uitgevoerd moet worden, zie bijvoorbeeld deze Pindakaasinstructie).
  • Zorg dat leerlingen houvast hebben bij het uitvoeren van taaltaken en geef feedback. Laat ze bijvoorbeeld eerst een of meerdere voorbeeldteksten van een instructie lezen voor ze er zelf een moeten schrijven.

Spreken en luisteren

Verbind de doelen van spreken & luisteren met andere doelen:

  • Met leesbevordering: laat leerlingen een boekpromotiefilmpje inspreken.
  • Met schrijven: laat leerling een eenvoudige reactie schrijven op een beluisterde tekst.
  • Laat leerlingen verschillende soorten informatieve (verslag met de volgorde van gebeurtenissen, bijvoorbeeld van een zelfgemaakte reis), betogende (een betoog om een boek wel of niet te gaan lezen), instructieve (uitleggen hoe je een probleem oplost) en expressieve teksten (voordragen van een kort gedicht met eenvoudig rijmschema ) uitspreken en luisteren. Maak daarin een keuze in één of twee tekstsoorten en laat deze keuze terugkomen bij het lezen en/of schrijven.
  • Kies de spreek- of luisteropdrachten uit je reguliere aanbod of laat leerlingen een mini-presentatie opnemen op een smartphone.
  • Zorg voor een echt publiek en een realistisch doel (ouders, jou, opa/oma). Laat ze (voor de opname) feedback vragen aan ouders of huisgenoten.
  • Bedenk opdrachten waarmee leerlingen thuis gestimuleerd worden om met elkaar te praten en luisteren. Sluit aan bij wat kinderen nu meemaken en beleven. Geef leerlingen en ouders een ‘thuisklets’ instructie mee voor een goed gesprek aan de keukentafel.
  • Zorg dat leerlingen houvast hebben bij het uitvoeren van taaltaken en geef feedback. Geef ze een voorbeeld van een filmpje waarop een spreektaak te zien is en benoem de criteria waar je feedback op gaat geven.