Oriëntatie op jezelf en de wereld: groep 3-4

8 oktober 2020

Het onderwijs ziet er in deze tijd ineens heel anders uit. Je zult scherp moeten kiezen welke doelen wel en welke niet haalbaar zijn. Wat zijn de belangrijkste doelen voor wereldoriëntatie? Wat is voor je leerlingen belangrijk?

Leerlingen in groep 3 en 4 willen weten hoe de wereld in elkaar steekt. Ze maken meer en meer onderscheid tussen ‘echt’ en ‘verzonnen’ en tussen ‘wij’ en ‘zij’, ‘hier en daar’ en ‘toen’ en ‘nu’.

In groep 3 en 4 gaat veel aandacht naar het taal- en rekenonderwijs. Wereldoriëntatie kan de ontwikkeling van taal- en rekenvaardigheden enorm versterken. In groep 3 en 4 werk je daarom aan de volgende vaardigheden:

Verkennen en ervaringen opdoen
Leerlingen hebben veel baat bij het leren vanuit herkenbare, alledaagse situaties. Ervaringen zorgen er niet alleen voor dat schoolse kennis en vaardigheden beter worden aangeleerd, leerlingen gaan het geleerde ook sneller gebruiken in hun dagelijks leven. Het is daarom belangrijk dat leerlingen ervaringen opdoen in alledaagse situaties:

  • in de natuur;
  • in de eigen omgeving;
  • met mensen en beroepen.

Benoemen en ordenen
Vanuit authentieke, alledaagse situaties leren leerlingen hoe zij hun omgeving kunnen beschrijven en ordenen. Ze doen dit door:

  • hun woordenschat te vergroten door het gebruik van moeilijke woorden (meten, vergelijken, onderzoeken), vakbegrippen (meter en vierkante meter), concrete wereldoriëntatiebegrippen (longen, maag, stad, rivier, kasteel, museum) en abstractere wereldoriëntatiebegrippen (vroeger, spijsvertering, openbaar vervoer);
  • hun kennis te ordenen aan de hand van tijd, ruimte, patronen en cycli zoals die van het leven en kringlopen zoals de waterkringloop.

Doelen per vakgebied

Tijd (geschiedenis)

Verkennen en ervaringen opdoen

  • vanuit verhalen over gebeurtenissen en personen uit het verleden bij voorkeur verteld door ooggetuigen;
  • met oude voorwerpen, plaatsen of beelden uit de omgeving.

Benoemen en ordenen

  • actief hanteren van concrete vakbegrippen als gisteren, vandaag, morgen, enz. en abstracte vakbegrippen als vroeger, nu en toekomst;
  • ordenen van gebeurtenissen in een tijdlijn.

Natuur, wetenschap en techniek

Verkennen en ervaringen opdoen

  • van planten, bomen en dieren;
  • met het eigen lichaam (ademhaling, hartslag).

Benoemen en ordenen

  • actief benoemen van delen en gehelen (‘een bloem bestaat uit…’, ‘in je buik zit je maag en je darmen’);
  • ordenen van stappen uit een cyclus (zoals bij de levenscyclus of bij spijsvertering).

Ruimte (aardrijkskunde)

Verkennen en ervaringen opdoen

  • in de eigen omgeving;
  • met mensen, beroepen en organisaties uit de eigen omgeving.

Benoemen en ordenen

  • actief hanteren van concrete begrippen om de eigen omgeving te beschrijven (zoals gemeentehuis, schouwburg, strand, sloot, heuvel) en abstractere begrippen (openbaar vervoer, stad);
  • ordenen van plaatsen door een (eenvoudige) kaart van de omgeving te tekenen.

Praktische suggesties bij de doelen

Geschiedenis

  • Laat leerlingen vertellen of tekenen over wat ze gisteren gedaan hebben, vandaag doen of morgen zullen doen. Voer daar gesprekken over waarin je de begrippen gisteren, vandaag en morgen veelvuldig gebruikt in duidelijke contexten.
  • Laat leerlingen onderzoek doen naar hun eigen leven: laat ze foto’s van eerdere leeftijden opzoeken, van belangrijke gebeurtenissen in het gezin (geboorte van broertje of zusje, feest, overlijden van opa of oma of een huisdier, vakanties), laat ze hun ouders vragen naar de verhalen bij de gebeurtenissen en laat ze die op volgorde van tijd plaatsen. Laat ze daarover vertellen of een verhaal bij schrijven. Gebruik daarbij de begrippen vroeger, eerder, later, jonger en ouder.
  • Laat leerlingen nadenken over de toekomst: laat ze hun eigen beeld van later verwoorden, vertellen. Begin bij wat ze zouden willen worden, maar verken ook hoe de maatschappij er dan uit zou kunnen zien. Bespreek wat verandert en wat hetzelfde blijft (denken in continuïteit en verandering). Verken de rol van bijvoorbeeld media en technologie, maar ook klimaatverandering, duurzaamheid en de eigen rol van de leerling daarin. Hierbij kun je aansluiten bij wat je behandelt bij aardrijkskunde en/of natuur, wetenschap en techniek.

Natuur, wetenschap en techniek

  • Hamsteren, dat deden mensen ineens toen de coronacrisis uitbrak. Hoe zeker is het dat de supermarkten goed gevuld blijven? Wat kun je eigenlijk zelf doen om aan gezond voedsel te komen? Ga bijvoorbeeld eens met je leerlingen moestuinieren en zorg dat de klas zelfgekweekte worteltjes kan knauwen, onderzoek hoe je de grootste radijsjes of pompoen kweekt en ontdek wat een plant nodig heeft om te groeien. Zo kom je de lente en zomer met gezonde tussendoortjes door met de klas.
  • Met groenten uit eigen tuin, of toch uit de supermarkt, kun je met de leerlingen een gezonde lunch maken. Bijvoorbeeld een pompoensoep, een salade of broodje gezond. Wat gebeurt er met de lunch in het eigen lijf? Laat de leerlingen de omtrek van hun lijf op een groot vel of op het schoolplein met krijt tekenen. Vervolgens mogen ze alle spijsverteringsorganen hierin tekenen om de weg die de zelfgemaakte lunch aflegt te leren kennen. Ze kunnen ook een organen t-shirt maken.
  • In je eigen omgeving planten en dieren ontdekken en observeren. Dat kan spelenderwijs door het maken van een buiten-bingokaart. Maak een kaart met 6-12 vakjes met daarin een foto van een plant of dier uit de omgeving. De leerlingen mogen zelf zoeken, afstrepen en de naam van het betreffende dier of plant erbij schrijven. Eventueel kun je onderdelen van enkele levenscycli erbij zetten (ei-rups-pop-vlinder).

Aardrijkskunde

  • Bespreek - naar aanleiding van een tekst, gastspreker of verhaal van een leerling - plaatsen die een rol in het leven van leerlingen spelen. Biedt daarbij nieuwe woorden aan die kenmerkend zijn voor die plek. Denk bijvoorbeeld bij winkelen aan woorden als: reclamebord, parkeerplaats, pashokje.
  • Laat leerlingen eenvoudige kaarten tekenen: plattegronden van de klas, de school en de wijk. Laat zien hoe bij iedere plaats andere woorden horen. Zo leren leerlingen informatie te ordenen. Denk bijvoorbeeld bij het maken van een plattegrond van de wijk aan drukke gebieden met veel verkeer & winkels, rustige gebieden waar je kunt spelen (speeltuin & plantsoen) en woongebieden (huizen & flats).

contactpersoon

39