Leerlijn

6 april 2021

Taal en communicatie
a. communicatieve functie/doel (genre) b. taal in context
fase 1 (groep 1-2)
  • vertellen
  • spreken, luisteren, lezen, schrijven
  • voorlezen
fase 2 (groep 3-4)
  • boodschap
  • bedoeling
  • toon
  • spreker, schrijver, lezer, luisteraar
  • beurtwisseling
fase 3 (groep 5-6)
  • verzoeken
  • activeren
  • informeren (vb. voordracht)
  • verhalen (vb. prentenboek)
  • beschrijven
  • verslag doen/rapporteren
  • corresponderen (vb. e-mail)
  • argument
  • stelling
  • informatie
  • doel
  • publiek
  • communicatie
  • gespreksregels
  • lichaamstaal
  • taalvorm
  • beeldtaal
  • digitaal
  • bron
fase 4 (groep 7-8)
  • betogen
  • instrueren (vb. handleiding)
  • amuseren
  • overtuigen/argumenteren
  • tegenargument
  • online ↔ offline informatie
  • context
  • inhoud
  • formeel ↔ informeel taalgebruik
  • aanspreekvorm
  • auteur
  • mimiek
  • spreektempo, spreekpauze
  • volume
  • vloeiendheid
fase 5 (onderbouw vo)
  • beschouwen
  • verklaren
  • taalgebruikssituatie
  • taalfunctie (communicatief, expressief, conceptualiserend)
  • publiekgerichtheid
  • doelgerichtheid
  • genre (communicatief doel)
  • interactie
  • interpretatie
  • overtuigingskracht
  • medium, media
  • modus (mondeling, schriftelijk, multimodaal)
  • verbaal ↔ non-verbaal
  • objectief ↔ subjectief
fase 6 (bovenbouw vo)
  • manipuleren
  • beledigen
  • uiteenzetten
  • discrimineren
  • productief ↔ receptief
  • communicatief effect
  • framing
  • ruis
  • miscommunicatie
  • metacommunicatie
  • argumentatiestructuur
  • drogredenen
  • literair effect