Uitwerking focusdoelen Nederlands

28 april 2021

Joanneke, als we het jou zouden vragen: aan welke doelen of domeinen zouden leraren vooral aandacht besteden in deze periode tot de zomer?

Als je mij zou vragen om een prioriteitenlijstje in domeinen uit het referentiekader te maken, dan zou dat er voor mij zo uitzien: 1. Lezen, 2. Schrijven, 3. Mondeling en 4. Begrippenlijst en taalverzorging. De focus moet liggen op lezen en schrijven, het liefst in samenhang, bijvoorbeeld rondom een thema: daar zit het primaire belang. Met de kanttekening dat dat voor de kleuters natuurlijk anders ligt: daar ligt de prioriteit natuurlijk bij mondelinge taalvaardigheid, in spel en naar aanleiding van boeken. 
Dat wil niet zeggen dat ik de doelen uit de andere domeinen niet belangrijk vind. Aan die doelen kun je ook prima werken, maar in tweede instantie. Als je je onderwijsaanbod opbouwt vanuit de doelen van het leesonderwijs, kun je de doelen uit de andere domeinen, en die uit de andere leergebieden, daar aan verbinden. Dompel je leerlingen onder in een aanbod van rijke teksten die je voorleest of samen leest en waarover ze schrijven en praten. Probeer dit ook als je met je groep weer, hopelijk tijdelijk, in quarantaine moet. Dat is lastiger, maar kan wel.

Maar taalmethodes zitten zo niet in elkaar. Als jij zegt ‘leg de focus op lezen, gecombineerd met schrijven’, wat moet je dan doen met de lessen uit je taalmethode? Wat raad je scholen die werken met een taal- en leesmethode dan aan?

Nog steeds: focus op lezen en schrijven. Het gaat volgens mij in deze periode echt om keuzes maken. Pak je methodes er eens bij en kijk waar je kunt verbinden. En durf te schrappen. De overzichten met focusdoelen die we gemaakt hebben voor deze periode kunnen daar helpend bij zijn: welke oefeningen kun je overslaan, waar moet je aandacht op liggen?
Je kunt daarbij vertrekken vanuit je taalmethode – wat doe ik wel, wat schrap ik – maar je kunt ook vertrekken vanuit de methode voor wereldoriëntatie. In groep 7-8 kan deze periode bijvoorbeeld de Tweede Wereldoorlog op het programma staan. Daar zijn veel teksten makkelijk over verkrijgbaar. Kijk of je zo’n onderwerp wat kunt doortrekken. Lees de groep voor uit ‘Kinderen met een ster’, kijk met de leerlingen naar een Klokhuis-item, bijvoorbeeld over de razzia in Putten, gebruik een informatieve tekst over razzia’s en onderduiken voor je begrijpend lezenles, laat leerlingen een krantenartikel schrijven over de oorlog – en geef instructie in hoe je zo’n informatieve tekst schrijft, richt een leestafel in met een rijke variatie aan boeken, van de graphic novel ‘Het Achterhuis’ tot informatieve jeugdboeken. En leg dan je taalmethode eens naast deze plannen: staan daar instructies en voorbeelden in voor het schrijven van een krantenartikel, lessen over het lezen en combineren van verschillende bronnen? Bekijk hoe je je taalmethode kan inzetten bij het werken aan zo’n thema. Een voorbeeld waarin zoiets is uitgewerkt zie je in deze padlet van Anneke Smits en Erna van Koeven.

Wat doe je met leerlingen die nog moeite hebben met vlot en vloeiend lezen? Welke plek heeft het technisch lezen dan?

In de onderbouw moet het zwaartepunt van je aandacht inderdaad liggen bij het technisch leren lezen. Goede instructie en maatwerk voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben zijn daar ontzettend belangrijk. De basis moet goed gelegd zijn, anders hebben ze daar hun hele schoolloopbaan last van. De experts die ik geïnterviewd heb, hebben daar ook mooie suggesties voor.
En ook in de midden- en bovenbouw moet je natuurlijk oog houden voor de leerlingen bij wie het vlot en vloeiend lezen nog niet zo goed gaat. Want als leerlingen niet vlot en vloeiend lezen, zullen ze moeite hebben om bij zo’n thema aan te haken. En ook minder plezier hebben in het zelf lezen van teksten. Maar kijk eens of je je technisch lezenles kunt koppelen aan een tekst die je gaat inzetten bij begrijpend lezen. Lisa Harrevelt doet dat mooi in haar groep 3. Zij werkte met haar groep over aardbevingen en bewegingen van aardplaten vanuit een moeilijke tekst. Maar door deze tekst voor te lezen, de leerlingen mee te laten lezen, erover te praten en de tekst de rest van de week dagelijks door te laten lezen als technisch lezentekst kunnen uiteindelijk alle leerlingen ’m lezen. En kan haar groep 3 uitleggen wat de aardkorst is, wat aardplaten zijn en wat dit te maken heeft met aardbevingen!
En daarnaast is het in alle groepen, van 1 tot en met 8, ook belangrijk dat ze een rijk taalaanbod krijgen. Als ze zelf nog geen rijke teksten kunnen lezen, lees die dan voor of bied sommige leerlingen een luisterboek aan!

Dus jij zegt lezen en schrijven. Maar de leerlijn spelling dan of grammatica?

Ook daarvoor geldt: durf te schrappen in deze periode tot augustus. Je onderwijstijd is beperkt, dus keuzes maken moet en mag. De leerlijn spelling kun je best even onderbreken. Maak daarover afspraken met je team: welke keuzes maken we per leerjaar, wat schuiven we door naar een volgende groep?
En wil je toch aandacht besteden aan spelling, vertrek dan vanuit de teksten die je met de leerlingen leest en schrijft: geef bij het redigeren van geschreven teksten een mini-lesje over een veelgemaakte fout die je in de leerlingteksten ziet.
Ook het grammaticaal ontleden van zinnen hoef je nu niet te doen, dat onderdeel komt in de onderbouw van het voortgezet onderwijs ruimschoots terug en heeft nu niet de prioriteit. Alleen het onderwerp en het gezegde kunnen benoemen is voldoende voor de basisschool.

En woordenschat dan?

Woordenschatlessen zijn effectief als ze in rijke contexten voorkomen, met aandacht voor betekenisnetwerken. Het leren van losse rijtjes woorden los van een thema zet weinig zoden aan de dijk. Wel kun je je woordenschatdidactiek inzetten bij relevante woorden uit het thema: breng bijvoorbeeld de betekenisverbindingen tussen themawoorden in beeld met behulp van ‘graphic organizers’ zoals een woordspin of een woordparachute. Als leerlingen meerdere teksten rondom hetzelfde thema lezen, of daarna luisteren, dan wordt woordenschat duurzaam verworven, omdat die woorden als je via meerdere teksten rond een thema werkt, meerdere keren voorbij komen.
Als ik zou mogen dromen, dan zou mijn ideale scenario eruit bestaan dat je deze periode benut om eens te werken vanuit een thema. Het is toch al een vreemd schooljaar, dus dit is mijns inziens het moment om je aanbod om te gooien.
Je kunt met je klas rond rijke thema’s gaan werken. Zes weken rondom het thema ‘Groei’ bijvoorbeeld. Lees met je leerlingen kinderboeken en teksten rondom dit thema en ga daarover met ze schrijven en praten. Stel tekstgerichte vragen over de inhoud van de tekst, geef instructie over hoe je bronnen kunt benutten bij het schrijven van een informatieve tekst en put daarvoor uit je taalmethode. In het overzicht met focusdoelen verwijs ik naar een aantal bruikbare links.

Makkelijk praten, dat kost een berg voorbereiding. Waar haal je die teksten vandaan? Hoe organiseer je dit?

Ja, dat klopt, dat is een begrijpelijke reactie. Daar moet je wel nog de energie voor hebben en ik snap ook wel dat iedereen op z’n tandvlees loopt. Als je dan gewend bent om te werken met een taalmethode, met daarnaast een methode voor begrijpend lezen, dan is dit wel even heel iets anders.
Maar ik zie ook dat leerlingen juist nu weer de motivatie moeten vinden voor het leren en het lezen en schrijven. Tijdens de thuisperiode hebben ze toch veel (invul)oefeningen gedaan en is er vaak geen sprake geweest van een rijke taal- en leesomgeving. Het is goed om de omgeving nu binnen de school taalrijker maken dan die normaal is. En dat zou kunnen via werken met teksten vanuit zo’n rijk thema. Dat hoef je niet allemaal zelf te verzinnen overigens. Er zijn al veel bronnen beschikbaar. De handleiding Focus op Begrip geeft ondersteuning hoe je een thema kunt kiezen en de blog ‘Op weg naar een rijke leeromgeving’ biedt hulp bij stappen die je kunt zetten. Bovendien zijn er tegenwoordig allerlei aanbieders van rijke teksten en themapakketten, denk aan Slimme-teksten, Tekstenlab, Themaplein. En in het artikel Rijke leesstof stimuleert noem ik nog meer bronnen.

Nog één vraagje dan: mogen leerlingen ook nog voor de lol zelf een boek lezen?

Is dat een serieuze vraag? Haha, ja natuurlijk! Daar begin je de dag mee: elke dag, of minstens drie keer per week, een half uur zelf vrij lezen, of elkaar voorlezen. Dat mogen boeken zijn van de tafel met kinderboeken die je rond het thema verzameld hebt, maar ook de serieboeken over de Loser, de Muts en de Boomhut zijn prima. Zeker als je kinderen kunt stimuleren om dan zo’n hele serie uit te lezen. Dat werkt hetzelfde als lezen binnen een thema. Als ze boeken lezen in één serie, in de boeken van één auteur, dan wordt de context steeds bekender. En nieuwe woorden worden gemakkelijker geleerd binnen een bekende context. Maar belangrijker is natuurlijk nog dat leerlingen het plezier van het lezen ontdekken, dat ze gegrepen worden door zo’n serie. Dan zijn we al een heel eind op weg met het bereiken van onze taaldoelen…