Dit algemene doel doet een beroep op een vermogen dat niet anders dan erg algemeen en vaag kan worden aangeduid. Het proces verloopt dikwijls op het niveau van de intuïtie. Maar als de docent met de leerling bespreekt welke vervolgopleiding deze denkt te gaan volgen, en daarover een discussie voert (‘Zou je dat nou wel gaan doen?’ en ‘Heb je wel gedacht aan die of die mogelijkheid?’) dan is de docent samen met de leerling bezig met toekomstoriëntatie. Die vindt eigenlijk continu plaats. We kunnen in dit geval spreken van strategische competentie.
Als ze instromen hebben leerlingen vaak een verkeerd beroepsbeeld. Dit wordt in de loop van de onderwijstijd bijgesteld en daarmee verandert dan ook het toekomstperspectief.
De strategische competentie is als volgt uit te werken:
- verwerking:
afstand nemen van werk
risico's onderkennen
omgaan met werkdruk. - Perspectief:
loopbaan binnen bedrijf of instelling
loopbaan buiten bedrijf of instelling
sollicitatievaardigheden. - Opkomen voor belangen:
belangenbehartiging
eigen belang behartigen bij conflicten
speelruimte benutten.
Waar het bij deze competentie vooral om gaat is de kritische zin van de leerling te ontwikkelen. Een kritisch ingesteld mens kan een betere werknemer en collega zijn dan iemand die kritiekloos uitvoert wat er van hem wordt gevraagd.



