Bijdrage aan de algemene en specifieke (beroeps)vaardigheden

Het begrip vaardigheid wordt in dit examenprogramma in twee betekenissen gebruikt. Enerzijds zijn het psychomotorische vaardigheden, dat wil zeggen handelingen die de kandidaten moeten uitvoeren. Dat is het praktische deel van het programma. Anderzijds verwijst het begrip vaardigheid naar de algemene vaardigheden die de leerlingen zich tijdens hun leerweg eigen moeten maken.

Leren reflecteren op de toekomst

Dit algemene doel doet een beroep op een vermogen dat niet anders dan erg algemeen en vaag kan worden aangeduid. Het proces verloopt dikwijls op het niveau van de intuïtie. Maar als de docent met de leerling bespreekt welke vervolgopleiding deze denkt te gaan volgen, en daarover een discussie voert (‘Zou je dat nou wel gaan doen?’ en ‘Heb je wel gedacht aan die of die mogelijkheid?’) dan is de docent samen met de leerling bezig met toekomstoriëntatie. Die vindt eigenlijk continu plaats. We kunnen in dit geval spreken van strategische competentie.
Als ze instromen hebben leerlingen vaak een verkeerd beroepsbeeld. Dit wordt in de loop van de onderwijstijd bijgesteld en daarmee verandert dan ook het toekomstperspectief.

De strategische competentie is als volgt uit te werken:

  • verwerking:
    afstand nemen van werk
    risico's onderkennen
    omgaan met werkdruk.
  • perspectief:
    loopbaan binnen bedrijf of instelling
    loopbaan buiten bedrijf of instelling
    sollicitatievaardigheden.
  • opkomen voor belangen:
    belangenbehartiging
    eigen belang behartigen bij conflicten
    speelruimte benutten.

Waar het bij deze competentie vooral om gaat is de kritische zin van de leerling te ontwikkelen. Een kritisch ingesteld mens kan een betere werknemer en collega zijn dan iemand die kritiekloos uitvoert wat er van hem wordt gevraagd.