Leren reflecteren op leer- en werkprocessen

Leren reflecteren op leer- en werkprocessen, dat is: leren leren. Want een zeer belangrijk aspect van leren leren is kritisch leren kijken naar wat je aan het doen bent of wat je gedaan hebt, en daar lering uit trekken voor de volgende keer.

Mensen leren ontzettend veel door te doen en daarover te praten. Als docent en leerling aan het werk zijn en praten over wat ze aan het doen zijn of wat ze gedaan hebben, dan zijn zij bezig met leren leren. Leren leren is niet alleen in het onderwijs aan de orde, maar speelt in het hele leven een rol.

Docenten kunnen de volgorde van de handelingen aan hun leerlingen voorschrijven. Maar tijdens de les kunt u de leerling ook aan de slag laten gaan, en zeggen: ‘Als er problemen zijn, kom je maar, dan kun je het me vragen. Maar, je moet de vraag wel stellen in de vorm van een probleem. Ga maar aan de slag.’ De docent observeert dan wat er gebeurt, en vraagt na afloop: ‘Hoe heb je dat nou gedaan? Waarom heb je het in die volgorde gedaan? Had je het ook in een andere volgorde kunnen doen?’ Daarbij komen verschillende stappen in het werk-/ leerproces aan de orde: ‘Wist je genoeg om te beginnen?’, ‘Hoe controleerde je of het goed ging?’ en: ‘Hoe controleerde of je het goed gedaan had?’ en vooral: ‘Was dit de beste manier om de klus te doen?’.

De competentie die hoort bij het algemene doel ‘leren reflecteren op leer- en werkprocessen’ is de leer- en vormgevingscompetentie. Dit is de competentie die het een leerling mogelijk maakt om de ontwikkeling van zijn eigen competentie te sturen. Deze competentie laat zich uitsplitsen in de vaardigheden:

  • vooruitkijken
  • uitvoeren en bewaken
  • beoordelen. 

Bij het vooruitkijken, kan de leerling zichzelf vragen stellen als:

  • Begrijp ik wat ik moet doen?
  • Ken ik de eisen waaraan de (be)handeling of de werkzaamheden moeten voldoen?
  • Ken ik de werkvolgorde?
  • Weet ik genoeg om te beginnen?
  • Heb ik alles wat nodig is?

Bij het uitvoeren en bewaken, kan de leerling zichzelf vragen stellen als:

  • Gaat het nog goed?
  • Als het niet goed gaat:
  • Waarom gaat het niet goed?
  • Wat kan ik eraan doen?

Bij het beoordelen, kan de leerling zichzelf vragen stellen als:

  • Voldoet het resultaat aan de eisen?
  • Kan ik het nu goed?
  • Heb ik de drie stappen (voorbereiden, bewaken en controleren) goed gezet?

De docent kan ook een beoordelingslijst maken, aan de hand waarvan de leerling zichzelf een cijfer kan toekennen. Was het goed of was het minder goed? Waar heb ik nog extra oefening voor nodig? Als de leerling niet tevreden is, begint hij opnieuw. Of hij stelt bij: hij past de uitvoering aan.