Bij vakmatige competentie die de leerling moet ontwikkelen, is een onderscheid te maken in:
- technisch-praktische vaardigheden
- informatieverwerkende vaardigheden
- omgangsvaardigheden.
Om de leerling omgangsvaardigheden bij te brengen, kunt u aansluiten bij specificaties van de sociaal-communicatieve vaardigheden. Voor de technisch-praktische en de informatieverwerkende vaardigheden gaat u uit van de tweedeling tussen theorie en praktijk, die in de volgende concrete onderdelen uiteenvalt:
- praktijk:
- werkvoorbereiding
- werkuitvoering / procescontrole
- controle en bijstelling
- ondersteunende theorie: |
- algemene theorie
- specifieke theorie
- werkmethodes
- kennis van hulpmiddelen waaronder gereedschap
- kennis van (verbruiks)materialen.
De samenhang tussen vakmatige competentie en de algemene (beroeps)vaardigheden is de volgende:
Uitgangspunt is dat de leerling vakspecifieke kennis opdoet en vakspecifieke vaardigheden aanleert. In het model hiervoor vormen leren uitvoeren en leren communiceren de schakel tussen enerzijds het leren van vakspecifieke kennis en vaardigheden en anderzijds het leren reflecteren op leer- en werkprocessen. Bij de beroepsgerichte vakken zal het er in eerste instantie om gaan vakspecifieke kennis en vaardigheden te leren. Een belangrijk aspect daarvan is het planmatig leren werken: de methodische competentie. Als de leerling die methodische competentie flexibel kan inzetten, is er sprake van reflectie op het leer- en werkproces.
Het onderwijs in de beroepsgerichte vakken van het vmbo is meervoudig kwalificerend omdat het leren van de algemene (beroeps)vaardigheden is geïntegreerd in het leren van de meer vakspecifieke vaardigheden. Het vmbo-onderwijs is ten eerste gericht op vakspecifieke aspecten die vereist zijn voor zowel de beroepsuitoefening als voor de doorstroming naar het secundair beroepsonderwijs. Ten tweede krijgt de leerling door de koppeling met de basisvorming een derde kwalificatie: een maatschappelijke kwalificatie.



