Achtergronden

Tot enkele generaties geleden traden jongeren, als het ging om beroep en levensloop, bijna vanzelfsprekend in de voetsporen van hun vaders en moeders. Nu moeten jongeren veel meer zelf keuzes maken. Bovendien is een eenmalige keuze voor een opleiding en beroep niet meer voldoende. Ook tijdens hun verder loopbaan zullen de jongeren van nu bij herhaling geconfronteerd worden met de mogelijkheid, maar ook de noodzaak, om keuzes te maken.

Het onderwijs zal er daarom voor moeten zorgen dat jongeren loopbaancompetenties ontwikkelen: zij moeten

  • leren onderzoeken waar zij goed in zijn, wat belangrijk voor hen is, wat hun drijfveren zijn
  • zicht krijgen op werk en beroepen en wat die van hen vragen
  • leren om keuzes te maken, actie te ondernemen om hun loopbaan te sturen en daarbij gebruik te maken van contacten, netwerken.

Om dit tot stand te brengen moet het onderwijs, en LOB in het bijzonder, de leervraag van de deelnemer centraal stellen. Zij kunnen beroeps- en opleidingsbeelden ontwikkelen in een loopbaangerichte leeromgeving, dat is een leeromgeving die:

  • Praktijknabij is, dat wil zeggen dat geleerd wordt met levensechte taken en in veelvuldig contact met de beroepspraktijk.
  • Dialogisch is, dat wil zeggen dat de leerling steeds in dialoog is met zichzelf en anderen (onder wie de begeleider in de school) over de opgedane ervaringen.
  • Ruimte biedt voor vraagsturing, dat wil zeggen dat de leerling mogelijkheden heeft om keuzes te maken bij de invulling van zijn leeractiviteiten en zo invloed heeft op zijn eigen leerproces.