Nieuwe Citotoetsen voor begrijpend lezen: taalcoördinatoren denken mee
Tijdens de landelijke netwerkdag op 29 september gaf Marieke Tomesen, projectleider bij Cito, informatie over de nieuwe Citotoetsen voor begrijpend lezen. Deze nieuwe toetsen – de derde generatie inmiddels – maken deel uit van het CitoVolgsysteem primair onderwijs.
Proefopgaven uit de nieuwe toetsen werden voorgelegd aan de aanwezige taalcoördinatoren, zodat ze konden meedenken over de inhoud, vormgeving en gebruik van deze nieuwe toetsen.

Wat kun je met het CitoVolgsysteem?

De nieuwe toetsen voor begrijpend lezen zijn een onderdeel van Cito Volgsysteem primair onderwijs. Met dit volgsysteem kun je:

  • het huidige niveau van leerlingen bepalen;
  • vooruitgang vaststellen;
  • bepalen of vooruitgang bevredigend is;
  • vergelijken met andere leerlingen.

Daarnaast kan het gebruikt worden om:

  • vast te stellen wat de onderwijsbehoefte van leerlingen is;
  • leerstof en instructie op leerlingen af te stemmen;
  • vast te stellen of onderwijs aangepast moet worden.

Waarom nieuwe toetsen?

Het was nodig om de toetsen te vernieuwen, omdat de vorige generatie inhoudelijk verouderd is. Ook de normering van de vorige generatie is verouderd. Verder is in de loop der jaren het onderwijsaanbod veranderd. De nieuwe toetsen sluiten aan bij die veranderingen.

Hoe komen nieuwe toetsen tot stand?

Het ontwikkelen van een nieuwe toets kent een aantal stappen. Eerst worden het doel van de toets en de toetsopzet precies bepaald. In een overzichtstabel staat hoeveel opgaven verdeeld over welke leesvaardigheden er in elke toets komen. Ook staat er in de tabel welke teksttypen er in voor zullen komen en welke opgavenvormen. Met deze leidraad gaat een groep leerkrachten aan de slag.  In samenwerking met Citomedewerkers ontwikkelen ze nieuwe opgaven. Deze proeftoetsen worden op verschillende scholen in Nederland afgenomen, om te kijken welke opgaven wel of niet voldoen. Voor de kwaliteit van de opgaven wordt gekeken naar de moeilijkheidsgraad en naar het discriminerend vermogen. Met andere woorden: Wat is de gemiddelde score op de opgave? Kunnen we met deze opgave het onderscheid tussen een vaardige en een minder vaardige leerling helder krijgen? Naast deze psychometrische eisen, gelden er ook inhoudelijke eisen om een evenwichtige toets samen te stellen. Die inhoudelijke eisen hebben te maken met de verdeling over de teksttypen, typen opgaven en de technische leesmoeilijkheid van de teksten uit de toets. Na evaluatie van de opgaven worden de opgaven voor de uiteindelijke toets geselecteerd. Er volgt een normeringsonderzoek om de juiste norm voor de toetsen te bepalen. Daarna kan de toets worden uitgegeven.

Wat is er anders?

De nieuwe toetsen hebben geen vervolgmodules meer. Er komen kennismakingsboekjes bij om de leerlingen vertrouwd te maken met de manier van vragen, en er zijn tussentoetsen. De husselopgaven uit de vorige generatie toetsen verdwijnen; er komen andere opgaventypen voor in de plaats. Wat de teksten betreft is er meer variatie in tekstlengte, dus zowel kortere als langere teksten die leerlingen moeten lezen. Ook is er meer variatie in tekstgenres en in onderwerpen.

Feedback op de nieuwe toetsen van taalcoördinatoren

Tijdens de netwerkdag hebben taalcoördinatoren zich gebogen over proefopgaven voor de nieuwe toetsen. Ze hebben met elkaar gesproken over de opgaven en de teksten van de huidige toetsen en over de toetsen Begrijpend lezen als diagnose-instrument. Van die gesprekken zijn door verschillende deelnemers verslagen gemaakt. Hieronder geven we – met dank aan alle auteurs! - de feedback uit de verschillende gesprekken weer.

De toetsen Begrijpend lezen als diagnose-instrument
De meeste taalcoördinatoren vinden een diagnostisch gesprek een goede aanvulling op de huidige toetsen Begrijpend lezen. Zo’n gesprek kan de leerkracht dan voeren met leerlingen die opvallen bij de toetsen Begrijpend lezen om erachter te komen welke strategieën de leerling gebruikt bij het lezen van een tekst. Een vraag van een aantal taalcoördinatoren is of je verder dan het toepassingsniveau van de strategieën komt. Van groot belang bij zo’n diagnostisch gesprek is een goede leidraad. De vraag aan Cito is dan ook om een goede leidraad te leveren waardoor leerkrachten weten hoe ze een diagnostisch gesprek kunnen voeren en op welke punten ze dan moeten letten. Verder is het bij zo'n diagnostisch gesprek ook van belang aandacht te hebben voor de samenhang met algemene kennis van kinderen en hun interesses, hun woordenschat en hun technisch leesniveau. Er is ook een groep taalcoördinatoren die het analyseren van de problemen ondoenlijk vindt. Het is volgens hen niet mogelijk om naar aanleiding van de toets didactische maatregelen te nemen.

Men zou graag per toetsvraag in een overzicht willen zien wat voor soort vraag het is: is het een vraag op macroniveau, op mesoniveau of op microniveau, gaat het om begrijpen of om interpreteren en om welke subvaardigheid gaat het (bijvoorbeeld hoofdgedachte afleiden, woordbetekenis afleiden, doel van de schrijver bepalen). Ook al zou dan een categorieënanalyse niet mogelijk zijn omdat de subvaardigheden sterk met elkaar samenhangen, dan nog is het wel fijn om te weten welke subvaardigheden gevraagd worden in de toets. Dit kunnen namelijk ook aanknopingspunten zijn voor het diagnostisch gesprek.
Verder is er de wens om in de toetsmappen aan te geven wat een gemiddelde leerling moet kunnen (met ontwikkelingsperspectief 1F) en wat een goede leerling moet kunnen (met ontwikkelingsperspectief 1S), of nog meer uitgesplitst: wat kan een p25-leerling (welke vragen heeft deze leerling zoal goed beantwoord), wat kan een p50-leerling en wat kan een p75-leerling?  Als je namelijk weet dat bepaalde vragen alleen maar goed beantwoord worden door de beste leerlingen, dan weet je dat je je daar niet zo druk om hoeft te maken bij het merendeel van je groep.

Opgaven en teksten
In de nieuwe toetsen komen – bij gebleken geschiktheid - verschillende opgavenvormen voor: tekstopgaven met daarbij de variant 'visualisatie-opgaven', openplaatsopgaven en voorspelopgaven. De visualisatie-opgaven en de voorspelopgaven zijn een goede aanvulling. Open plaatsen in de tekst is lastig voor groep 3, 4 en 5: het lezen van de tekst vraagt al veel inspanning. Door het heen en weer lezen en soms zelfs bladeren raken kinderen het spoor bijster. Het hangt ook af van de aard van de opgaven; antwoorden moeten begripsmatig wel uit de tekst zijn op te maken.

Over de aard van de opgaven uit de  huidige toetsen wordt het volgende gezegd:

  • er zijn opgaven gewenst die aansluiten bij geleerde strategieën;
  • niet alle vragen toetsen begrijpend lezen, sommige doen een beroep op intelligentie;
  • de toetsen doen een groot beroep op metacognitieve vaardigheden;
  • intelligente kinderen volgen de gedachtegang van de toets niet;
  • de antwoorden liggen te dicht bij elkaar; er zijn eenduidiger vragen nodig;
  • er zijn teveel verwijsvragen.

De teksten uit de huidige toetsen zijn te lang en niet aansprekend genoeg. Het niveau van de teksten voor groep 6 is moeilijk. Dat geldt ook voor de teksten van groep 3. Kinderen hebben vaak het gewenste AVI-niveau nog niet bij E3; de techniek wordt nog onvoldoende beheerst.

Een suggestie voor dyslectische leerlingen is om de tekst voor te lezen, terwijl de leerling meeleest.

Overweging
Op scholen wordt sterk gevoeld dat de inspectie scholen afrekent op hun Citoscores. Leerkrachten moeten zich daardoor niet gedwongen voelen de toets te trainen. Dan wordt het doel van begrijpend lezen de toets zelf.