HTNO: Het Taalonderwijs Nederlands Onderzocht
In het project Het Taalonderwijs Nederlands Onderzocht (HTNO) wordt beoogd de kloof tussen wetenschap en onderwijspraktijk te helpen dichten. Ten behoeve van leerkrachten, maar ook van anderen in en om het onderwijs. Dat gebeurt door het onderzoek dat verricht is naar taalonderwijs in het basisonderwijs in Nederland, Vlaanderen en Suriname te inventariseren, te beschrijven en te interpreteren in het licht van leerplanontwikkeling. 

In de publicatie De kloof tussen onderwijsonderzoek en onderwijspraktijk (Broekkamp en Van Hout-Wolters, 2005) wordt een indrukwekkende reeks mogelijke oorzaken beschreven van die kloof. Onderwijsonderzoek wordt door practici in het onderwijs gezien als eenzijdig, van onvoldoende kwaliteit, te weinig in omvang, gefragmenteerd en onvoldoende toegankelijk.
Niet aan al deze oorzaken is gemakkelijk iets te doen en van sommige kan men zich ook afvragen in hoeverre ze overeenstemmen met de realiteit. Maar dat geldt niet voor de laatstgenoemde: de geringe toegankelijkheid van rapportages van onderzoek.

In haar advies Kennis over onderwijs (2003) snijdt de Onderwijsraad hetzelfde probleem aan. Zij concludeert dat er in het onderwijsonderzoek schotten omver gehaald moeten worden tussen onderzoekers, ontwikkelaars en docenten en adviseert de overheid om meer te investeren in samenwerking tussen bovengenoemden in de vorm van toegankelijke overzichtsstudies. Daarnaast moeten leerkrachten meer tijd en gelegenheid krijgen om op de hoogte te blijven van hun vakgebied, aldus de raad.

Ook in haar advies Naar meer evidence-based onderwijs (2006) gaat de Onderwijsraad in op mogelijkheden tot een betere benutting van wetenschappelijk onderzoek in het Nederlandse onderwijs. Zij pleit ervoor om systematisch informatie te verzamelen en te verspreiden over onderwijsmethoden of -aanpakken die evidence-based zijn, wat wil zeggen dat ze hun werkzaamheid hebben bewezen in empirisch onderzoek.

In het project Het Taalonderwijs Nederlands Onderzocht (HTNO) proberen we een bijdrage te leveren aan de oplossing van de gesignaleerde problemen door het onderzoek dat verricht is naar taalonderwijs in het basisonderwijs te inventariseren, te beschrijven en te interpreteren.
In een soortgelijk project HSNO (Het Schoolvak Nederlands Onderzocht) wordt het onderzoek naar het onderwijs Nederlands in het voortgezet onderwijs geïnventariseerd, beschreven en geïnterpreteerd (Hoogeveen en Bonset 1998, Bonset en Braaksma 2008).

Uitvoering

Het project HTNO is uitgevoerd in samenwerking van SLO met de Nederlandse Taalunie, het SCO- Kohnstamminstituut en de Stichtingen Lezen Nederland en Vlaanderen. Vanwege de grote hoeveelheid te verwerken onderzoeken (ongeveer 800) en de wens om de resultaten snel te kunnen publiceren is het project in drie fasen uitgevoerd.

In de eerste fase (2004-2005) is al het onderzoek geïnventariseerd op basis van de volgende selectiecriteria:

  • Empirisch onderzoek naar de onderwijspraktijk
  • Van 1969-2004 in Nederland, Vlaanderen en Suriname
  • Aan 2,5 tot 12 jarigen

In de tweede fase (2005-2006) hebben we het geïnventariseerde onderzoek opgevraagd, nauwkeurig getoetst aan onze selectiecriteria en voorzien van coderingen. We codeerden op relevante zoektermen als: domein van het taalonderwijs, tekstsoort, doelgroep, gebied, onderwijstype, leeftijd, onderzoeksthema, respondenten en methode van dataverzameling.

In de derde fase van het onderzoek (2006-2007) hebben we de gecodeerde onderzoeken van een korte beschrijving voorzien, die de lezer zicht geeft op de vraagstelling en de conclusies van het onderzoek.

Literatuurstudies

Inmiddels zijn binnen het project Het Taalonderwijs Nederlands Onderzocht zes literatuurstudies verricht. De resultaten daarvan zijn verwerkt in de volgende rapportages: Schrijven in het basisonderwijs, Lezen in het basisonderwijs, Spelling in het basisonderwijs,  Woordenschatontwikkeling in het basisonderwijs, Taalbeschouwing en Mondelinge taalvaardigheid in het basisonderwijs.

Downloads: